Maartje Theodorie,

Rijswijkseweg 129, 2516 HB Den Haag

Vak: Afrikaanse Geschiedenis

 

Jansen, Jan, De draaiende put, Leiden, 1995

 

Het epos van Sunjata is heel bekend in West-Afrika. Sunjata wordt gezien als de stichter van het vroegere Mali-rijk dat zich uitstrekt over onder andere Mali, Senegal en Guinee. Jansen is afgereisd naar De Haut-Niger in Mali om te kijken naar de relatie tussen het Sunjata-epos en de plaatselijke Mande-samenleving. Hij verblijft daarvoor bij de griot-familie Diabate in Kela, en dorp dichtbij Kangaba. Zijn gastheer is de officiële verteller van het epos tijdens de ceremonie in de heilige Kamabolon in Kangaba. Deze ceremonie vindt elke zeven jaar plaats en is ingesteld door de Keita Kandasi, de vorsten van Kangaba. Velen zijn van mening dat hier de ware versie van het epos wordt verteld. De tweede doelstelling van Jansen is daarom erachter te komen waarom deze versie nog steeds zo’n prestige heeft.

 

Het antwoord op deze beide vragen zoekt Jansen in de organisatie van de samenleving. Hij kijkt daarbij naar de verdeeldheid tussen twee broers van dezelfde vader maar verschillende moeder (fadenya) en de harmonie tussen twee broers van dezelfde vader en moeder (badenya). Deze begrippen zijn niet alleen verwantschapstermen maar verwijzen vooral ook naar sociale waarden in de samenleving. Dit is één van de ordenende factoren van de samenleving, een tweede factor is de jong-oud verhouding. De oudere moet altijd met respect behandeld worden. Speciaal hierin is de verhouding jongere broer – oudere broer. De oudere broer blijft thuis bij zijn moeder, werkt op het land, en krijgt giften van zijn jongere broer. Deze verblijft in de wildernis, jaagt, heeft in geval van oorlog de leiding en verdeelt achteraf de buit. Bovendien loopt er een parallel tussen oudere broer en stichter van het dorp en verdeler van het land. Dezelfde parallel loopt tussen jongere broer, vreemdeling en dorpschef. Jongere broer zijn heeft dus voordelen omdat hij onafhankelijk is van giften en de leiding heeft in geval van oorlog. Dit is volgens Jansen de reden waarom het epos nog steeds zo’n prestige heeft. De Keita Kandasi zijn namelijk de ’jongere broer’ en hebben dus een leidinggevende positie. Bovendien is de ceremonie waarbij de ware versie wordt verteld alleen toegankelijk voor een kleine groep Diabate en Keita Kandasi en dat geeft een zekere onaantastbaarheid.

 

De derde factor die de samenleving ordent is de ‘jamu’. De jamu is een soort achternaam die gelijk informatie geeft over de status in de maatschappij, een voorbeeld daarvan is Keita, een jamu van de vorsten. De status van elke jamu wordt verdeeld door Sunjata in het Sunjata-epos. Hierdoor ontstaat het grote samenspel tussen het Sunjata-epos en de samenleving. Want als twee mensen elkaar tegenkomen dan weten ze aan de hand van de jamu gelijk in welke verhouding ze tot elkaar staan.

Door zo duidelijk de ordening in de maatschappij te laten zien, gaat Jansen in tegen de opvatting van de Franse kolonisatoren en vele wetenschappers die zeggen dat de huidige Mande-samenleving een onsamenhangend geheel is.

 

Veel onderzoekers betitelden het Sunjata-epos als een statisch geheel, maar ook hier heeft Jansen een andere mening over. Het epos is weliswaar tot op zekere hoogte gestandaardiseerd, maar in de details is veel variatie mogelijk. Vaak is het epos aangepast aan een bepaald gebied door een bepaalde persoon een grotere of juist een kleinere rol te geven. Ook is er tijdens de vertelling interactie met het publiek. Deze twee dingen vragen grote creativiteit van de griots.

 

Uiteindelijk komt Jansen tot de conclusie dat het epos niet zozeer een geschiedverhaal of een literair kunstwerk is, maar meer de basis van de huidige samenleving. De manier waarop de huidige samenleving en ook de recente politieke verhoudingen in elkaar steken wordt samengevat in het Sunjata-epos.

 

De draaiende put

Jansen gebruikt de draaiende put als symbool voor de Mande-samenleving. Niemand heeft absolute kennis of macht, en elke regio heeft een iets andere versie van het Sunjata-epos. Zo kom je nooit op een punt waarop je echt weet hoe het epos precies in elkaar zit. Er is geen absolute waarheid, en als je daarnaar zoekt, dan blijf je ‘rondjes draaien’.

Met deze metafoor als basis, is Jansen er goed in geslaagd een heel gedetailleerd beeld van de samenleving van de Haut-Niger te geven evenals over het Sunjata-epos en alles daarom heen. Hij vertelt echter niet zoveel over de ceremonie in de heilige Kamabolon. Op deze manier blijft de geheimzinnige sfeer die eromheen hangt behouden maar na al die verwijzingen zou het leuk zijn er wat meer over te horen. Op basis van de bijgewoonde repetities meent hij wel dat er geen verborgen informatie wordt verteld in de ceremonie. Maar, als de informatie werkelijk verborgen is, zullen ze die niet vertellen en zal hij dat nooit weten. Misschien hebben ze geheime repetities voor de geheime informatie? Je kunt het niet weten tot iemand daadwerkelijk de ceremonie heeft bijgewoond.

 

Het grootste deel van het onderzoek verbleef Jansen bij de familie Diabate in Kela. In hoeverre heeft dit zijn onderzoek beïnvloed? Als de Mande-samenleving werkelijk zo dynamisch is als hij zelf vertelt, hoe zou zijn boek eruit gezien hebben als in een ander deel van de Haut-Niger bij de familie Traore was gaan zitten?

 

“Een onderzoeker verdrinkt in de draaiende put zodra hij in Mande ‘stapt’. Op het eerste gezicht lijkt alles perfect kloppend, omdat elke groep zijn status onmiddellijk herleidt tot een bepaalde standaardpositie die onderbouwd wordt met een historische claim. Daarnaast blijkt de plek van onderzoek ‘toevallig’ net de plaats te zijn die ‘eigenlijk’ rechtmatig de hoogste status toekomt.” (Bron: Jansen, Jan, De draaiende put, Leiden, 1995. p. 177)

 

Jansen legt middels de dynamiek tussen ‘jong-oud’, ‘badenya-fadenya’ en de jamu goed de status van een groep in de samenleving uit. Maar hijzelf betoogt in zijn boek dat Kela het centrum van het Mande-rijk is en dat de Keita-Kandasi en de Diabate de hoogste status hebben. Is hij zelf in de draaiende put gevallen?